Nou ja, echt nieuw is hij niet... Het is een herpost van een blog uit december 2010.
Hier kan je hem vinden! Veel leesplezier.
Welkom!
Welkom!
Mijn naam is Wytze Niezen en dit is mijn blog over ICT en Onderwijs. Ik werk sinds 2006 in het basisonderwijs. In datzelfde jaar ben ik afgestudeerd aan de Ipabo te Alkmaar. Mijn interesse voor ICT en onderwijs is in de jaren op de Pabo ontstaan.
ICT heeft de toekomst, daar ben ik van overtuigd. Met deze blog probeer ik de ontwikkelingen op ICT gebied voor mijzelf bij te houden. Bloggen werkt rustgevend, het zet mijn gedachten weer op een rij.
Momenteel werk ik in Singapore op de Hollandse School Limited. Een ontzettend insiperende omgeving, ook vanwege de hoeveelheid aan internationale scholen die ik kan bezoeken.
dinsdag 27 december 2016
zondag 21 augustus 2016
Nieuwe blog: Brainwave, the art of learning.
Uiteraard op mijn andere website edurecensie.nl. Zie hier voor de blog. Het is nog even zoeken naar een fijne RSS button of 'volg mij' knop. Die volgt 'later'.
vrijdag 29 april 2016
Nieuwe website!
Na een aantal weken stoeien heb ik het karkas staan! Hoe ik ooit begonnen ben op de blog ga ik nu op www.edurecensie.nl verder. Sinds de start van mijn blog-avontuur is er veel veranderd. Met name ikzelf. De weblog bied me te weinig ruimte, ik zocht iets nieuws waar ik me in bredere zin over onderwijs kon uiten. Ook vind ik het leuk om te experimenteren. Uiteraard blijft een blog-onderdeel bestaan!
Het bloggen gaat met pieken en dalen, ik leg mezelf geen druk op, als het komt, dan komt het vanzelf.
Zo ook met de website; ik start fanatiek, laat het een aantal weken liggen en pak het daarna weer rustig op. De site is om mijn eigen gedachten kwijt te kunnen, wanneer anderen er ook gebruik van maken, prima! Daarnaast is het een manier om mezelf te laten zien. Al heb ik niet het idee dat de site momenteel precies laat zien wie ik ben en wat ik kan. Neem anders zelf een kijkje! Wie weet heb je er iets aan.
Ik hoop de komende jaren de site langzaam uit te kunnen bouwen, we zien hoe het gaat!
www.edurecensie.nl
Het bloggen gaat met pieken en dalen, ik leg mezelf geen druk op, als het komt, dan komt het vanzelf.
Zo ook met de website; ik start fanatiek, laat het een aantal weken liggen en pak het daarna weer rustig op. De site is om mijn eigen gedachten kwijt te kunnen, wanneer anderen er ook gebruik van maken, prima! Daarnaast is het een manier om mezelf te laten zien. Al heb ik niet het idee dat de site momenteel precies laat zien wie ik ben en wat ik kan. Neem anders zelf een kijkje! Wie weet heb je er iets aan.
Ik hoop de komende jaren de site langzaam uit te kunnen bouwen, we zien hoe het gaat!
www.edurecensie.nl
dinsdag 15 december 2015
De (anti) professionele leerkracht
De professionele leerkracht
Ik zie mezelf als een professional. Iemand die
‘het vak’ maakt, beheert, controleert. Ik denk na over het verbeteren van het
onderwijs in mijn klas, op mijn school en als professie als geheel. Het geeft
mij een gevoel van eigenwaarde en ‘ertoe doen’. Anderen hoeven mij die
waardering niet te geven, ze hoeven het niet met mij eens te zijn. Zodra zij
mij zien als professional ben ik tevreden.
Anti-professional
Ik ben gedurende mijn loopbaan een aantal
leerkrachten tegengekomen die naar mijn idee de anti-professional zijn. Daarbij
heb ik het niet over een andere onderwijskundige achtergrond, of een andere
kijk op het doel van onderwijs. Sterker nog, ik praat graag met leerkrachten of
beleidsmakers die anders kijken naar goed onderwijs, daar word ik immers als
professional beter van. Ik kan mijn eigen visie aanpassen op inzichten die ik
verkrijg van anderen, of ik weet anderen in beweging te krijgen. De
anti-professional manifesteert zich in het niet willen, of niet kunnen
veranderen vanuit een constante redenatie van factoren buiten de persoon zelf.
Ik heb absoluut niet de visie dat alle leerkrachten moeten veranderen, ik denk
dat continuiteit juist heel sterk is. De anti-professional redeneert echter
vanuit een aantal argumenten die de eigen persoon buiten beschouwing laat.
Politiek beleid
De grootste drogreden;politiek beleid. ‘Het
moet nu eenmaal zo’. Het tegengestelde is waar, de kerndoelen PO kunnen niet
ruimer zijn dan nu gesteld. Ik denk juist dat de ruimte die ze bieden teveel
is. Leerkrachten kunnen dit niet zelf invullen vanwege tijdgebrek. Dus wordt er
teruggevallen op methodes. En die methodes timmeren elke flexibiliteit dicht,
of geven een vals gevoel van professionele inbreng.
De professional kan het heft in handen nemen
door vanuit leerlijnen te werken. Wanneer de leerlijnen duidelijk zijn kan de
professionele leerkracht hier concrete invulling aan geven door onderwijs vorm
te geven binnen de context van de school. Hierdoor krijgen leerkrachten ook
weer ‘het vak leerkracht’ in handen, in plaats van slaafs de methode te
‘moeten’ volgen.
Meest tergende vraag die je mij kan stellen:
“Krijg jij de methode dit jaar uit?”
CITO
De CITO toets wordt vaak genoemd als reden
waarom leerkrachten zich niet professioneel kunnen uiten. Wederom is dit een
drogreden. De CITO toets is om voortgang op lange termijn te meten. Echter, je
kan de toetsen ook gebruiken om je onderwijs te verbeteren. Wanneer je niets
doet met deze toets is het inderdaad zinloos om de toets af te nemen. Je vraagt
je als professional dus af waarom je deze toets afneemt. En wanneer dit niet
duidelijk is, dan stel je de vraag aan je collega’s. Als het onduidelijk is,
dan moet je er misschien mee stoppen. Het is wettelijk
verplicht om je leerlingen te volgen, maar ook in dit geval heb je als
professional het heft zelf in handen. Het ‘moeten doen’ van de CITO is dus een
drogreden om je onderwijsontwikkeling aan op te hangen.
Geld
Uiteraard, meer geld helpt altijd mee om je
onderwijs te verbeteren. Tegelijkertijd is het ook geen reden om niks te doen.
Ik ervaar nu zelf in Singapore dat geld niet van doorslaggevende factor is om
goed onderwijs te kunnen bieden.
De lumpsum regeling voor scholen is juist
bedoeld om je als professional te kunnen gedragen. Het zelf kunnen verdelen van
geld om de kernwaarden van goed onderwijs te kunnen uitdragen en inrichten is
juist het ultieme gevoel van professionaliteit. Het gebrek zit hem misschien in
de ondoorzichtigheid van waar het geld naar toe gaat. De echte professional
stelt zijn directie aan de kaak, de anti-professional gebruikt het als schild
om zich niet als professional te hoeven gedragen.
Accountability
Veel leerkrachten ervaren het als enorm
stressvol dat ze van alle kanten worden beoordeeld. Zowel op directieniveau als
door collega’s en, uiteraard, door ouders. De professional weet waar hij/zij
voor staat en zal kritiek gebruiken om zijn eigen onderwijs te sterken, of zal
kritiek pareren door vanuit professioneel oogpunt zijn keuzes uit te leggen.
De anti-proffesional gebruik het als schild om
zijn eigen professionaliteit te ondermijnen. Ouders zijn te kritisch, deuren
van lokalen blijven dicht voor collega’s en directie is het gevoel van het
lesgeven kwijt.
Passie
Leerkrachten die twee dagen op een school
werken voor de gezelligheid dragen niet bij aan de professionaliteit van de
leerkracht. Wanneer zij praten over ‘lastige kinderen’ en ‘lastige ouders’
straal je geen professionaliteit uit. Gelukkig zijn er heel veel parttime
leerkrachten die niet in bovenstaande categorie vallen. Van die laatste groep
vind ik het juist extra knap dat zij aan de ene kant professioneel zijn in hun
vakgebied en daarnaast, bijvoorbeeld, een gezin draaiende kunnen/moeten houden.
Maatschappij
Het is een maatschappelijk probleem dat
leerkrachten als hobby-isten worden gezien. Het werkt niet mee om het onderwijs
te verbeteren (hoe dat er dan ook uitziet). De status van de leerkracht als
professional is voor mij een sleutel element in het inrichten en vormgeven van
onderwijs. Hiervoor zou een standaard ontwikkeld moeten worden. De onderwijscooperatie steekt
hierop in door zo’n standaard te ontwikkelen. Je kan nu je input geven! Dus
gedraag je als een professional en help mee het vak van leerkracht de status te
geven die het (en onze leerlingen) verdient!
zondag 6 december 2015
Mindset van onderwijs
Om goed onderwijs te kunnen bieden is het van
groot belang dat leerkrachten en beleidsmakers eenzelfde mindset hebben ten aanzien van leren en
onderwijs. Binnen deze mindset is ruimte genoeg voor een ‘eigen’ karakter van
een leerkracht en een school als geheel. Vanuit de politiek zou dit constant
uitgestraald moeten worden zodat leerkrachten zich bewust zijn van de kaders
waarbinnen zij werken.
Future relevance of learning
Het International Primary Curriculum1
werkt vanuit negen rubrieken om de kwaliteit van het onderwijs te kunnen meten.
Deze negen rubrieken samen zijn de ‘key criteria’ voor het op de juiste manier
uitvoeren van het IPC. Het startpunt van deze negen kriteria is het soort
leerling dat je wilt ontwikkelen. Dit klinkt heel erg alsof het kind ‘maakbaar’
is, maar dat is niet wat er mee bedoeld wordt. Er is geen vast eindpunt of
eindtoets om te kijken of je onderwijs bereikt heeft wat je beoogde te
bereiken. Het gaat meer om een holistische kijk naar het kind en in welke
toekomst zij moeten leven, werken, zijn. We weten niet hoe de toekomst eruit
ziet, we weten niet wat leerlingen nodig hebben in de toekomst aan kennis en
vaardigheden, en toch wordt er van ons verwacht dat we leerlingen voorbereiden
op deze toekomst. Wij moeten een oordeel vellen over de relevantie van ons
curriculum. Vanuit dat standpunt kan je dus de keuze maken om een vak volledig
te schrappen, Duits bijvoorbeeld. Wat is er nog relevant aan het leren van
Duits voor je toekomst? Ik weet daar geen antwoord op, maar wat ik wel weet is
‘doen wat we altijd doen’ ook geen keuze is, maar een dwangbuis en drogreden om
de veiligheid van het moment te koesteren.
Visie op leren
Leren kan uitgelegd worden op een zeer
biologische manier; het aanmaken en/of versterken van verbindingen tussen
neuronen. Maar wat is de filosofische of ethische uitleg van dit vraagstuk? Wat
is leren? En waarom is leren? Hoe is leren? Waar is leren? Een mogelijk
antwoord ligt in het werk van Gert Biesta (2014). Hij geeft aan dat leren als
doel heeft drie domeinen te ontwikkelen; klassificatie (het mogen uitvoeren van
bepaald werk/taak), subjectificatie (het worden van een ‘ik’ in de
maatschappij, emancipatie en vrijheid hangt hier sterk aan vast) en
socialisatie (bv het behoren bij een cultuur, gewoontes, traditie). Vaak wordt
gezegd dat wij onze studenten voorbereiden op de maatschappij van de toekomst.
Ik hoop altijd dat het andersom het geval is, onze studenten maken de
maatschappij van de toekomst. Leren heeft als doel de kinderen de juiste
kennis, vaardigheden en inzichten bij te brengen zodat zij de maatschappij
kunnen maken. Deze denkwijze stamt al uit de tijd van Plato, al is meteen een
kritisch tegen geluid dat maatschappij of student niet maakbaar is. Hij is
immers vrij en geëmancipeerd geraakt door ons onderwijs. Ik hoop maar dat ik
mijn studenten op de juiste manier geraakt en geïnspireerd heb dat zij de
juiste keuzes zullen maken voor een vreedzame, open maatschappij.
Visie op het kind
Is er wederom een nieuwe generatie opgestaan?
Zijn de kinderen veranderd ten opzichte van 100 jaar geleden? Regelmatig worden
deze vragen gesteld en beantwoord, maar wat is de relevantie hier van? Ik
geloof niet dat deze vragen echt van belang zijn. Mocht dit namelijk wel het
geval zijn dan is de mensheid per generatie aan het evolueren, en dat lijkt me
niet het geval. Het is de omgeving en context waarin kinderen leven die maakt
dat kinderen zich anders gedragen. Waar mijn generatie massaal buiten speelt,
vies wordt en de wereld ziet instorten zodra je de bal bij de boze buurman in
de tuin had geschoten is deze generatie vooral bezig met gamerpoints halen,
programmeren en bestaat de wereld niet meer zodra er geen WIFI of scherm is om
op te kijken. Andere generatie? Andere kinderen? Nee, andere omgeving, zelfde
kenmerken. Het zijn vooral de ouderboodschappen die maken dat het lijkt alsof
kinderen zoveel veranderd zijn. ‘Wij speelden vroeger altijd buiten, wij kunnen
echt wel zonder WIFI’…(of toch ook stiekem niet…).
Ik loop als ouder tegen dezelfde problemen als
mijn ouders liepen, maar in een andere omgeving. Ik moet beperkingen opleggen,
mijn kinderen stimuleren het beste uit zich te halen en normen en waarden
aanleren. Het grootste verschil is dat sommige ouders zich niet kunnen
identificeren met de omgeving waarin hun kinderen opgroeien. Maar dat is
misschien ook wel een probleem die elke ouder ervaart, 100 jaar geleden of nu.
Mijn kinderen zullen ongetwijfeld erg veel problemen krijgen zodra hun kinderen
de godganse dag in een virtuele omgeving zitten. ‘Wij speelden vroeger
tenminste nog samen Minecraft.’
Wat is succes?
Een andere vraag die te maken heeft met het
nut van onderwijs en de mindset van leerkrachten; succesvol zijn. De OECD die
verantwoordelijk is voor de PISA test is een economische instelling. Zij zullen
goed onderwijs dus meten vanuit het perspectief van economie. Succesvol
onderwijs gaat dan, naar mijn idee, vooral over de economie, human capital wordt uitgelegd als beneficial voor de economie. Leveren de
burgers die onze studenten later worden iets op? En dat gaat verder dan het
maken van consumenten van onze burgers, maar ook over de banen die zij zullen
hebben. Kunnen zij werken in de economie
van de toekomst? Kortgezegd, de meerwaarde van onderwijs moet vooral economisch
waardevol zijn.
Maar hoe zit dit met holistische kijk op
succes? Is het niet fantastisch als onderwijs het mogelijk maakt dat alle
burgers in staat zijn zichzelf als ‘gelukkig’ te kunnen bestempelen? Of als we
ons als maatschappij ontwikkelen ten aanzien van cultuur en tradities. In de
kern van ons bestaan zijn we nog steeds constant aan het overleven. Toch gaat
het op school met name over kennis en vaardigheden die ons in staat stellen
economisch succesvol te zijn, en staat dit als geheel los van de toegevoegde
waarde voor bijvoorbeeld geluk, cultuur, tradities enz. Ook hier maakt Gert
Biesta (2014) een ijzersterk punt in zijn stukken over de ‘subjectificatie’ van
de student. Kortom; wat is succes? Wanneer ben je succesvol en hoe definieren
we succesvol. Ik wil namelijk boven alles dat mijn studenten succesvol zijn,
maar dan niet alleen vanuit economisch perspectief, of eigenlijk, juist niet.
Pedagogiek, didactiek en technologie
Vanuit bovenstaande vraagstukken ontstaat een
bepaalde mindset bij leerkrachten. Een ideologie of misschien wel utopie van
waaruit leerkrachten hun onderwijs vormgeven. De antwoorden hoeven niet eens
duidelijk te zijn, maar de vraagstukken zijn sturend voor de kijk op onderwijs
en de invulling van een curriculum. We kunnen beter aangeven wat het nut van
ons onderwijs is, en onze oordelen zijn gebaseerd op een holistische kijk op de
student vanuit het perspectief van de noodzaak van leren voor de toekomst. Hoe
passen onze didactieken binnen deze kernwaarden? En hoe kunnen we in ons
onderwijs succes ‘modelen’. Technologie is de grote katalysator van onderwijs,
welke visie je ook hebt, wel doel je ook wilt bereiken het bij voorbaat
uitsluiten van technologie lijkt me onjuist. Natuurlijk kan je er bewust voor
kiezen (zoals in Silicon Valley gebeurd2) om technologie bewust
buiten de vergelijking te houden, maar ook die keuze is gebaseerd op
bovenstaande alinea’s.
Ik denk dat wanneer je die keuze 100 jaar
geleden zou maken, je zou kunnen zeggen dat deze leerlingen geen krijt/
krijtbord, potlood, papier af zou nemen.
Mindset van leerkrachten
De huidige ontwikkelingen gaan vooral over het
curriculum (kennis vaardigheden) , de
21st century skills en de rol van de leerkracht. Ik vind al deze ontwikkelingen
erg goed, het is nodig dat hier aanpassingen worden gedaan om de schoolomgeving
voor leerlingen zo te maken dat zij
worden voorbereid op (het maken van) de
toekomstige maatschappij. Ik zou graag zien dat er een dialoog ontstaat
over eerder genoemde punten. Op die manier kunnen we de brug slaan tussen het
beleid en ‘het veld’. Er is saamhorigheid over het doel van onderwijs en de
mindset die bij leerkrachten ontstaat zal zorgen voor een gevoel van
saamhorigheid. Dat biedt ruimte voor scholen en leerkrachten om het heft in
handen te nemen en verantwoordelijkheid te nemen voor het onderwijs dat een
leerkracht of school biedt.
2 http://www.educationnews.org/technology/silicon-valley-tech-execs-sending-kids-to-tech-free-schools/
Biesta, G. (2014). The beautiful risk of education. Boulder, Paradigm.
dinsdag 1 september 2015
Hoera! iPads horen er bij!
Nog niet zo lang geleden deed men nogal moeilijk over iPads en andere technologieen. Gelukkig is dat nu wel wat anders! Uitspraken als 'ik heb niets met technologie', en 'ach, ik zie wel wanneer de hype voorbij is' behoren officieel tot het verleden. Maar, hoe nu verder...
Dus technologie valt onder de noemer 'beredeneerd aanbod'. Je hebt je curriculum, je hebt je leerlingen, je hebt een jaar de tijd. Vanaf de eerste schooldag ben je bezig met leerlingen op niveau uit te dagen. Je maakt je niveaugroepen, hebt je pedagogiek en didactiek uitgedacht en gaat op zoek naar materialen. Je gebruikt de methodeboeken, extra werkboeken, kopieerbladen en... natuurlijk, ICT. Want hoe fijn is het dat een computerprogramma als geen ander kan bijhouden op welk niveau de leerling werk. Dat de leerlijnen in computerprogramma's zo sterk zijn dat daar geen leerkracht tegenop kan. En dat de kinderen zelf ook graag achter de computer werken.
ICT hoort bij de klas als de stoelen, de tafels, de boeken, de schriften. Het hoort bij de materialen als tekstboeken, werkboeken, kopieerbladen. Binnen je aanbod denk je als vanzelf aan ICT middelen die het leerproces zo effectief en efficient mogelijk laten verlopen.
En natuurlijk pak je bij je instructie eens een animatie, maak je een youtube playlist aan waar leerlingen zelf instructies kunnen volgen, zo doen we dat nu eenmaal.
ICT middelen komen ook niet meer uit het potje ICT, nee, het is een leermiddel, het past bij het potje leermiddelen. Weer wat ruimte op de ICT begroting...
De ICT-er vertelt ook niet meer over de implementatie van Rekentuin, nee, dat weet de reken-coordinator natuurlijk veel beter!
ICT als middel heeft de plek gekregen die het hoort te hebben; ondersteuning van het leerproces op het curriculum van de school.
Maar hoe zit het dan met ICT als doel? Welke doelstellingen hebben we eigenlijk met ICT en hoe kunnen we daar een leerlijn voor ontwikkelen? Ik gebruik daarvoor de ISTE standaarden, IPC ICT doelen, leerlijn Mediawijsheid, kerndoelen PO (ben je snel klaar mee...) en ik kijk naar de internationale scholen waar wij de leerlingen afleveren.
ICT als doel geeft een heel nieuwe kijk op je ICT gebruik. Zo hebben we vorig jaar een unit gedaan waarin we zijn gaan kijken naar het stukje 'creeëren'. Vier weken lang zijn we in de content van 'drugs education' gedoken, wat ze leerden over drugs was eigenlijk bijzaak. Het assessment van het werk van de leerlingen had te maken met het ICT doel creeëren; 'Ik kan de computer gebruiken om informatie, ideeen en verhalen op verschillende manieren te representeren'. We hebben een assessment rubrics gemaakt, hebben succes criteria opgesteld en het startpunt voor iedere leerlingen samen met de kinderen bepaald.
Kinderen werden kritisch op hun eigen werk en beoordeelden het werk van anderen aan de hand van de rubrics. Het echte resultaat kwam een paar weken later toen leerlingen bij een totaal andere opdracht teruggrepen op wat ze eerder geleerd hadden, het leerresultaat was daar.
Dus technologie valt onder de noemer 'beredeneerd aanbod'. Je hebt je curriculum, je hebt je leerlingen, je hebt een jaar de tijd. Vanaf de eerste schooldag ben je bezig met leerlingen op niveau uit te dagen. Je maakt je niveaugroepen, hebt je pedagogiek en didactiek uitgedacht en gaat op zoek naar materialen. Je gebruikt de methodeboeken, extra werkboeken, kopieerbladen en... natuurlijk, ICT. Want hoe fijn is het dat een computerprogramma als geen ander kan bijhouden op welk niveau de leerling werk. Dat de leerlijnen in computerprogramma's zo sterk zijn dat daar geen leerkracht tegenop kan. En dat de kinderen zelf ook graag achter de computer werken.
ICT hoort bij de klas als de stoelen, de tafels, de boeken, de schriften. Het hoort bij de materialen als tekstboeken, werkboeken, kopieerbladen. Binnen je aanbod denk je als vanzelf aan ICT middelen die het leerproces zo effectief en efficient mogelijk laten verlopen.
En natuurlijk pak je bij je instructie eens een animatie, maak je een youtube playlist aan waar leerlingen zelf instructies kunnen volgen, zo doen we dat nu eenmaal.
ICT middelen komen ook niet meer uit het potje ICT, nee, het is een leermiddel, het past bij het potje leermiddelen. Weer wat ruimte op de ICT begroting...
De ICT-er vertelt ook niet meer over de implementatie van Rekentuin, nee, dat weet de reken-coordinator natuurlijk veel beter!
ICT als middel heeft de plek gekregen die het hoort te hebben; ondersteuning van het leerproces op het curriculum van de school.
Maar hoe zit het dan met ICT als doel? Welke doelstellingen hebben we eigenlijk met ICT en hoe kunnen we daar een leerlijn voor ontwikkelen? Ik gebruik daarvoor de ISTE standaarden, IPC ICT doelen, leerlijn Mediawijsheid, kerndoelen PO (ben je snel klaar mee...) en ik kijk naar de internationale scholen waar wij de leerlingen afleveren.
ICT als doel geeft een heel nieuwe kijk op je ICT gebruik. Zo hebben we vorig jaar een unit gedaan waarin we zijn gaan kijken naar het stukje 'creeëren'. Vier weken lang zijn we in de content van 'drugs education' gedoken, wat ze leerden over drugs was eigenlijk bijzaak. Het assessment van het werk van de leerlingen had te maken met het ICT doel creeëren; 'Ik kan de computer gebruiken om informatie, ideeen en verhalen op verschillende manieren te representeren'. We hebben een assessment rubrics gemaakt, hebben succes criteria opgesteld en het startpunt voor iedere leerlingen samen met de kinderen bepaald.
Kinderen werden kritisch op hun eigen werk en beoordeelden het werk van anderen aan de hand van de rubrics. Het echte resultaat kwam een paar weken later toen leerlingen bij een totaal andere opdracht teruggrepen op wat ze eerder geleerd hadden, het leerresultaat was daar.
maandag 24 augustus 2015
#BlimageNL Het loopt als een trein!
Remko Boers is degene die mij heeft uitgedaagd een (onderwijs)blog te schrijven naar aanleiding van een afbeelding. Voordat ik mijn onderwijs verhaal bij het plaatje ga vertellen eerst nog een hele fijne werkvorm om met leerlingen te doen aan de hand van een plaatje. Deze werkvorm stimuleert de hogere denkvaardigheden en zorgt ervoor dat er een discussie op gang komt waarbij het 'denken' van leerlingen zichtbaar wordt. Ik heb deze werkvorm gevonden uit het boek 'Making Thinking Visible'.
Stap 1: leerlingen schrijven op wat ze zien (in stilte voor zichzelf) en delen dit later met hun maatje
Stap 2: leerlingen schrijven op wat ze denken dat het te betekenen heeft (in stilte voor zichzelf) en delen dit later met hun maatje
Stap 3: leerlingen schrijven op waar ze verbaasd over zijn of welke vragen ze hebben aan... (misschien de koe in het weiland)
Ik heb de werkvorm een heel aantal keer gedaan en de uitkomsten zijn steeds zo anders dan je verwacht! Het denken van leerlingen behelst blijkbaar toch meer dan men in eerste instantie zou verwachten. We kijken immers allemaal naar hetzelfde plaatje en toch zien, denken en verbazen we ons over andere zaken. De werkvorm heet See-Think-Wonder.
En dan nu het plaatje dat ik gekozen heb:

Of eigenlijk mijn twee jongens (4 en 6 jaar oud). De oudste wilde eerst tot in detail weten waarom ik hem de vraag stelde. Toen ik uiteindelijk toegaf dat het met onderwijs te maken had koos hij voor het schriftje. De ander koos zonder blikken of blozen voor de treinrails 'want treinen zijn snel!' Mijn vrouw koos de wortel en de jongste was HelloKitty kleurplaten aan het inkleuren. Ik vond het argument van de treinen het beste...
Kinderen zijn ook snel, iets specifieker, plusleerlingen zijn snel met het uitvoeren van schoolse taken. Of; sommige kinderen hebben mazzel dat de taken die wij ze laten doen nu eenmaal heel goed bij ze passen. Sommige kinderen denken dat ze een stoptrein zijn, maar blijken eigenlijk een intercity te zijn. Andersom gebeurt ook wel eens. Sommige leerkrachten geven kinderen het gevoel dat ze een stoptrein zijn, en kinderen gaan zich dan zo gedragen. Stoptreinen moeten soms wachten op sneltreinen, en andersom. Sommige treinen volgen gewoon het schema, andere gaan heftig protesteren als ze weer een rondje om de kerk moeten.
De omstandigheden maken of treinen lopen als een trein. Er zijn genoeg voorbeelden waar de omstandigheden niet op orde waren en de treinen slechts tijdelijk, of helemaal niet rijden.
Sinds ik het boek 'The beautiful Risk of Education' gelezen heb ben ik niet meer zo zeker van mijn zaak hoe ik welke omstandigheden moet creeeren. Nu ik het boek 'Visible learning for Teachers' aan het lezen ben worden mij allerlei wetenschappelijk bewezen omstandigheden aangereikt.
In het geval van de trein zijn er behoorlijk wat voorwaarden waar aan voldaan moet worden. Veelal technische specificaties, daarnaast een handvol mensen die invloed hebben op de trein. We kunnen in het geval van de trein alle voorwaarden volledig inrichten zoals wij dat willen, en dan toch gaat het nog helemaal fout.
Bij leerlingen zit het nog complexer. Je hebt totaal geen invloed op de motor van de trein, de rails waar de trein over moet rijden, de bovenleiding, de wissels, de stations en ga zo maar door. Je hebt wel invloed op de hoeveelheid passagiers die in de trein stappen (input van de leerkracht), maar niet op de zwartrijders (afleidingen voor de leerling). Je hebt invloed op het rooster van de trein, de tussenstation en de eindbestemming. Echter geldt dat iedere trein (leerling) met andere specificaties het spoor op gaat. Hoe kun je als leerkracht in hemelsnaam al die treintjes op de juiste snelheid met de juiste stations bij de juiste eindbestemming krijgen. En zonder dat de treinen op elkaar botsen! Bovendien hebben al deze treinen een eigen mening en persoonlijkheid, ze hebben ook iets te zeggen en te melden!
En daar moeten wij als leerkrachten meer gebruik van maken!
De prachtige boodschap in 'The Beautiful Risk of Education' is het omarmen van het risico dat onderwijs met zich meebrengt. De onzekerheid die je niet moet willen controleren, maar die je moet gebruiken om het onderwijs te versterken. Hoe mooi is de boodschap van Hattie dat een omgeving creeeren waarin het maken van fouten wordt geaccepteerd en juist een voorwaarde is om te kunnen leren vanwege de challenge die de taak blijkbaar met zich meebracht en de omgeving die de leerkracht neerzette waardoor de leerling de fout kan en mag maken, een groot effect op het leren van kinderen heeft.
In het geval van treinen kan je een zeer groot deel van de risico's vooraf afdekken, en toch gaat het zo vaak mis.
In het geval van kinderen bestaat maar een zekerheid, onzekerheid. Dat moet je als leerkracht accepteren en gebruiken. Op dit moment sla ik de grootste slag die ik kan maken met kinderen, het opbouwen van een sterke band met de leerlingen. Ik heb gesprekken waarin ik verklaar dat ik het juist oneerlijk van mezelf zou vinden als ik alle leerlingen hetzelfde behandel. Ik maak gezamenlijk met de leerlingen de regels en afspraken, zodat iedereen zich in een fijne omgeving bevind (ik heb een heftige afkeer tegen 'de tien gouden schoolregels').
Op basis van vertrouwen kan ik bouwen, de emotionele band die je niet met treinen hebt (tenminste...), maar wel met leerlingen, is de enige zekerheid die ik wil creeeren in mijn klas. En als de trein dan ook nog op tijd is, kom ik nooit meer te laat op school...
Stap 1: leerlingen schrijven op wat ze zien (in stilte voor zichzelf) en delen dit later met hun maatje
Stap 2: leerlingen schrijven op wat ze denken dat het te betekenen heeft (in stilte voor zichzelf) en delen dit later met hun maatje
Stap 3: leerlingen schrijven op waar ze verbaasd over zijn of welke vragen ze hebben aan... (misschien de koe in het weiland)
Ik heb de werkvorm een heel aantal keer gedaan en de uitkomsten zijn steeds zo anders dan je verwacht! Het denken van leerlingen behelst blijkbaar toch meer dan men in eerste instantie zou verwachten. We kijken immers allemaal naar hetzelfde plaatje en toch zien, denken en verbazen we ons over andere zaken. De werkvorm heet See-Think-Wonder.
En dan nu het plaatje dat ik gekozen heb:

Of eigenlijk mijn twee jongens (4 en 6 jaar oud). De oudste wilde eerst tot in detail weten waarom ik hem de vraag stelde. Toen ik uiteindelijk toegaf dat het met onderwijs te maken had koos hij voor het schriftje. De ander koos zonder blikken of blozen voor de treinrails 'want treinen zijn snel!' Mijn vrouw koos de wortel en de jongste was HelloKitty kleurplaten aan het inkleuren. Ik vond het argument van de treinen het beste...
Kinderen zijn ook snel, iets specifieker, plusleerlingen zijn snel met het uitvoeren van schoolse taken. Of; sommige kinderen hebben mazzel dat de taken die wij ze laten doen nu eenmaal heel goed bij ze passen. Sommige kinderen denken dat ze een stoptrein zijn, maar blijken eigenlijk een intercity te zijn. Andersom gebeurt ook wel eens. Sommige leerkrachten geven kinderen het gevoel dat ze een stoptrein zijn, en kinderen gaan zich dan zo gedragen. Stoptreinen moeten soms wachten op sneltreinen, en andersom. Sommige treinen volgen gewoon het schema, andere gaan heftig protesteren als ze weer een rondje om de kerk moeten.
De omstandigheden maken of treinen lopen als een trein. Er zijn genoeg voorbeelden waar de omstandigheden niet op orde waren en de treinen slechts tijdelijk, of helemaal niet rijden.
Sinds ik het boek 'The beautiful Risk of Education' gelezen heb ben ik niet meer zo zeker van mijn zaak hoe ik welke omstandigheden moet creeeren. Nu ik het boek 'Visible learning for Teachers' aan het lezen ben worden mij allerlei wetenschappelijk bewezen omstandigheden aangereikt.
In het geval van de trein zijn er behoorlijk wat voorwaarden waar aan voldaan moet worden. Veelal technische specificaties, daarnaast een handvol mensen die invloed hebben op de trein. We kunnen in het geval van de trein alle voorwaarden volledig inrichten zoals wij dat willen, en dan toch gaat het nog helemaal fout.
Bij leerlingen zit het nog complexer. Je hebt totaal geen invloed op de motor van de trein, de rails waar de trein over moet rijden, de bovenleiding, de wissels, de stations en ga zo maar door. Je hebt wel invloed op de hoeveelheid passagiers die in de trein stappen (input van de leerkracht), maar niet op de zwartrijders (afleidingen voor de leerling). Je hebt invloed op het rooster van de trein, de tussenstation en de eindbestemming. Echter geldt dat iedere trein (leerling) met andere specificaties het spoor op gaat. Hoe kun je als leerkracht in hemelsnaam al die treintjes op de juiste snelheid met de juiste stations bij de juiste eindbestemming krijgen. En zonder dat de treinen op elkaar botsen! Bovendien hebben al deze treinen een eigen mening en persoonlijkheid, ze hebben ook iets te zeggen en te melden!
En daar moeten wij als leerkrachten meer gebruik van maken!
De prachtige boodschap in 'The Beautiful Risk of Education' is het omarmen van het risico dat onderwijs met zich meebrengt. De onzekerheid die je niet moet willen controleren, maar die je moet gebruiken om het onderwijs te versterken. Hoe mooi is de boodschap van Hattie dat een omgeving creeeren waarin het maken van fouten wordt geaccepteerd en juist een voorwaarde is om te kunnen leren vanwege de challenge die de taak blijkbaar met zich meebracht en de omgeving die de leerkracht neerzette waardoor de leerling de fout kan en mag maken, een groot effect op het leren van kinderen heeft.
In het geval van treinen kan je een zeer groot deel van de risico's vooraf afdekken, en toch gaat het zo vaak mis.
In het geval van kinderen bestaat maar een zekerheid, onzekerheid. Dat moet je als leerkracht accepteren en gebruiken. Op dit moment sla ik de grootste slag die ik kan maken met kinderen, het opbouwen van een sterke band met de leerlingen. Ik heb gesprekken waarin ik verklaar dat ik het juist oneerlijk van mezelf zou vinden als ik alle leerlingen hetzelfde behandel. Ik maak gezamenlijk met de leerlingen de regels en afspraken, zodat iedereen zich in een fijne omgeving bevind (ik heb een heftige afkeer tegen 'de tien gouden schoolregels').
Op basis van vertrouwen kan ik bouwen, de emotionele band die je niet met treinen hebt (tenminste...), maar wel met leerlingen, is de enige zekerheid die ik wil creeeren in mijn klas. En als de trein dan ook nog op tijd is, kom ik nooit meer te laat op school...
zondag 9 augustus 2015
Ondernemerschap in het basisonderwijs
Afgelopen jaar zijn we binnen de IPC units gestart met het aanbieden van de design cirkel. De cirkel is bedoeld om een idee te realiseren. Er zijn vele varianten van de cirkel en we hebben het beste van de diverse cirkels gebruikt en daar onze eigen ‘saus’ overheen gegooid.
Tevens hebben we geprobeerd het STEM onderwijs te gebruiken als vehikel om de design cirkel aan te bieden aan de leerlingen. De resultaten waren echt fantastisch! Niet alleen de eindprojecten van de leerlingen, maar ook mijn eigen leren viel mij op.
Samengevat bestaat de cirkel uit de volgende stappen
1. Wat is het probleem, of in welke behoefte ga je voorzien?
2. Onderzoek; bestaat er niet al een oplossing? Is de behoefte wel aanwezig?
3. Design; brainstorm, bedenk zoveel mogelijk oplossing, schets, schrijf, kras, enz. Kies de drie beste ideeen en kies daarvan vervolgens het idee dat je verder gaat uitwerken
4. Plan; Welke materialen heb je nodig? Wie is verantwoordelijk voor wat? Wat is je tijdspad?
5. Creeer: Voer je planning uit, hou je aan de planning vast, maar wees tegelijkertijd flexibel
6. Onderneem; Zet je product in de markt, bedenk een passende titel, maak een presentatie en ‘verkoop’ je product
7. Evalueer; Dit doe je eigenlijk constant, bouw een aantal evaluatie momenten in.
De cirkel is niet perse in deze volgorde. Soms stap je heel ergens anders in (bv design, je bedenkt opeens een ideetje en werkt dit schetsend uit, pas later richt je je op onderzoek en ontdek je of er wel/niet markt voor is).
We hebben een real-life situatie gebruikt als content. Het mileu-vriendelijker maken van onze kamp-locatie. We hebben alle stappen begeleid, waarbij we het stukje onderzoek grotendeels hebben voorbewerkt vanwege ons eigen tijdspad.
Erg leuk was de marktplaats waarbij we ouders als experts hebben gevraagd. Een grote marktplaats waarbij de leerlingen gebruik hebben gemaakt van de expertise van de ouders. Er werd kritisch gekeken naar de designtekeningen door de grafische experts. De projectmanager nam de supplychain onder handen (‘En waar ga je al dat hout vandaan halen? Is dat dan milieuvriendelijk?’) Enz.
Aangekomen bij het ondernemen hebben we de eigenaar van het kamp gevraagd naar de ‘pitches’ van de kinderen te kijken. Ter voorbereiding hebben we een aantal afleveringen ‘Lion’s Den’ gekeken om te focussen op de pitches van de kinderen. Je zag dat de kinderen steeds beter de designcirkel begrepen en de pitches die we zagen konder uitpluizen in de diverse stappen van de cirkel.
Wat opviel bij de het stukje ‘ondernemen’ is dat de beste ideeen met een slechte pitch niet goed overkwamen. Andersom was dat ook het geval, de minder goede ideeen die het product geweldig verkochten vielen goed in de smaak. Voor de kinderen een duidelijke les; een goede pitch is funest voor het verkopen van je product.
Veel van de ideeën worden daadwerkelijk gerealiseerd op het kamp en waar we komend jaar weer op kamp gaan zullen we dus de ideeën van de kinderen in het echt kunnen bekijken.
Als school hebben we afgesproken deze cirkel jaarlijks twee keer te doorlopen. Er zit ontzettend veel ‘goed onderwijs’ in en het laat de kinderen kennismaken met vaardigheden die, naar ons idee, ontzettend belangrijk zijn om ‘succesvol’ te zijn in de huidige, en toekomstige maatschappij.
Ik zou iedere school adviseren eens te kijken naar STEM onderwijs (of STEAM), de desigcirkel en het aanbieden van deze cirkel aan de leerlingen. De cirkel is op heel veel situaties van toepassing en ook in kleinere projecten of in delen heel goed te gebruiken binnen het onderwijs.
Voor mijn gevoel vallen met de designcirkel een heel aantal puzzelstukjes in elkaar. Voor leerlingen is het opeens zichtbaar waar het eigenlijk om gaat en als leerkracht doorloop je samen met de leerlingen een ontzettend waardevol proces. Maanden later gebruikten de kinderen nog steeds dezelfde cirkel als ze een ideetje hadden (bv het opzetten van een youtube channel) om er zeker van te zijn dat ze hun plan goed uitvoerden.
zaterdag 30 augustus 2014
Software bij de Methode
De meeste uitgeverijen kiezen ervoor
om de software die ze ontwikkelen bij de methode op papier cloudbased
aanbieden. Via het web kunnen de leerlingen inloggen en de oefeningen maken. De
komst van Basispoort heeft dit proces mogelijk versneld of geeft uitgeverijen
die aangesloten zijn in ieder geval een duidelijk signaal, zet je methode
online!
En dat zou zonder Basispoort
natuurlijk ook het geval moeten zijn. Als ik software bij de methode zou
ontwikkelen zou ik kiezen voor een omgeving die platform, apparaat en browser
onafhankelijk is. Tevens zijn grote aandachtspunten voor mij adaptiviteit,
diversiteit, solidariteit en het leerlingvolgsysteem. Je zou zelfs kunnen
stellen dat de titel van dit blog vandaag de dag andersom zou moeten zijn;
methode bij de software.
Er zijn momenteel al best veel
mogelijkheden om software een meer leidende rol te laten spelen in het
onderwijsleerproces. Een heel aantal daarvan voldoen, op een aantal punten, aan
mijn bovenstaande criteria. De ‘ouderwetse’ pakketten van Ambrasoft
bijvoorbeeld, volledig online, okay leerlingvolgsysteem. Solidair, je kan je
eigen spellingpakketten importeren en de spelletjes zijn redelijk divers. Tot
voor kort (twee/drie jaar geleden) was Ambrasoft voor mij een gesloten boek. En
ook nu vind ik dat ze nog een aantal stappen moeten maken, echter de
leermodules binnen rekenen zijn gewoon prima om mee te werken wanneer kinderen
dit lastig vinden. Dit heeft uiteraard ook te maken met de school en leerling.
In mijn geval gaan we erg uit van persoonlijke leerdoelen. Wanneer blijkt dat
een leerling meten en meetkunde op een CITO toets onvoldoende maakt, en bij
nadere observatie een onvoldoende beheersing laat zien, heeft dit kind een
persoonlijk doel. Een online oefenprogramma als Ambrasoft is dan een goed middel
om deze leerling op niveau aan het doel te laten werken. Zeker nu de accounts
ook thuis gebruikt kunnen worden en Ambrasoft (mijnklas.nl) bij Basispoort is
aangesloten
Nieuwe pakketten als rekentuin hebben
een duidelijke voorsprong; ze zijn ontwikkeld in een andere tijd. Waar
Ambrasoft van ‘oud’ naar ‘nieuw’ moet, kan Rekentuin de basis meteen leggen
volgens de huidige standaarden. En dat merk je dan ook meteen in het pakket.
Online, platform onafhankelijk, adaptief en een goed leerlingvolgsysteem. Ook
het beloningssysteem maakt dat Rekentuin aantrekkelijk is voor leerlingen.
Rekentuin heeft bovendien een aantal uitbreidingsmogelijkheden, zo kan er een
abonnement op Laat eens Zien afgesloten worden waardoor leerlingen op maat
video’s kunnen bekijken als instructiemiddel. Binnen Rekentuin zouden ook een
aantal modules als klokkijken en breuken+ als leidende factor gebruikt kunnen
worden. Laat leerlingen maar starten, je ziet vanzelf wanneer ze ergens
tegenaan lopen. Dan kan je als leerkracht ingrijpen. Zo kwam ik er via
Rekentuin snel achter, tijdens een leergesprekje met de leerling, dat de
minsommen met -18 of -19 steevast fout worden gedaan. Deze opgaven kwamen
namelijk in het LVS als ‘nachtmerries’ naar boven. De tip ‘doe eerst min 20 en
tel er dan 1 of 2 bij op’ was een korte leerkrachtinterventie die haar
hoofdrekenniveau enorm heeft doen stijgen. Ik vraag me af of ik daar volgens de
conventionele methode die we gebruiken (pluspunt, groep 7) ook zo snel achter
was gekomen.
Van een hele andere divisie zijn de
leerlijnen van KhanAcademy. Deze leerlijnen zijn, naar mijn idee, ook gemaakt
om juist geheel zelfstandig te doorlopen. Ook hier kunnen kinderen helemaal
zelfstandig aan de slag en kan een methodeboekje of leerkrachtinterventie een
aanvulling zijn. Uiteraard staat het programma in dienst van de leerkracht, en
niet andersom.
Naast deze oefenprogramma’s zijn er
nog tal van andere systemen die pogen de software een grotere rol te spelen. Al
dan niet zelf in te richten met eigen leermateriaal door scholen en
leerkrachten (denk aan Spons, Blendspace) of bestaande methodes/ leerlijnen/
lesmethoden in een digitale mal gieten (bijvoorbeeld PulseOn).
Wanneer er een nieuwe methode wordt
aangeschaft, en dan bedoel ik boeken, is het stukje software meestal het
laatste waar naar gekeken wordt. Ik zie dat graag andersom, start eens met de
mogelijkheden die de software bij de methode biedt. Misschien dat je dit een
geheel anderen kijk biedt op de papieren versie die erbij komt. Of besluit in
ieder geval de methode niet aan te schaffen als blijkt dat de software die bij
de methode komt niet voldoet aan de criteria.
Bij mij op school zie ik het type
onderwijs dat zoveel mogelijk zelf-gereguleerd en gepersonaliseerd is, adaptief
en solidair met een uitstekend leerlingvolgsysteem. Enige nadeel; de leerkracht
doet dit zonder de hulp van software of de computer. Uiteraard gebruiken we wel
de oefenprogramma’s als Ambrasoft, Rekentuin en diverse websites. Maar de
drijvende kracht zijn nog de boeken en de papieren methode. Wat kinderen
heerlijk vinden zijn de leergesprekjes en de evaluatie op het leren, daar
conclusies uittrekken (ik heb instructie nodig, ik moet meer oefenen, ik
beheers dit volledig), en er vervolgens iets mee doen. Een logische volgende
stap zou zijn dat de software/ computer de analyse doet (zoals het voorbeeld
van de leerling met Rekentuin) en de nadruk kan komen te liggen op de
leergesprekken en leerkrachtinterventies/instructies.
Voor een andere blik op de rol van ICT
in het onderwijs zie de post Learning Analytics
Abonneren op:
Posts (Atom)
